Verbod op hoofddoek houdt vrouwen thuis

Posted on 30 maart 2011

1


Wat de motieven van mevrouw Hennis zijn om een debat aan te vragen over de scheiding van Kerk en Staat, met als onderdeel hoofddoeken, sla ik over. Ik zou graag deel willen nemen aan zo’n debat. Maar ik word er niet voor gevraagd en bovendien ben ik verbaal niet erg sterk. Ik ben van het soort dat beter om kan gaan met de pen dan met de microfoon.

Ik heb een heel persoonlijk verhaal dat misschien bij kan dragen aan dat debat. Laat me eerst een correcte titel kiezen voor het debat. Ik kies voor ‘ontbloting van het hoofd of huisarrest?’. Ik houd het bij de islamitische terminologie. Een debat over de scheiding van Kerk en Staat is minstens een eeuw geleden gevoerd en dat heeft geresulteerd in het geheel apart zetten van deze twee instituten. De christelijke scholen kunnen, naar mijn inzicht, alles behalve zich bemoeien met de politiek. Laten we gewoon open kaart spelen en eerlijk zeggen waar dit debat over gaat. Dan besparen we ook onze christelijke partijen de moeite van het verdedigen van het voortsbestaansrecht van hun scholen.

Heel lang geleden was mijn vader het hoofd van de dorpsraad in een dorp in Iran. Een vooruitstrevend man die geen onderscheid maakte tussen de rechten van de man en die van de vrouw. Heel bijzonder voor zo’n dorpscultuur. Hij streefde ernaar om de dorpelingen te voorzien van goed onderwijs. Het lukte hem de meeste dorpsmeisjes op de basisschool te krijgen. Maar zodra ze naar de middelbare school moesten, hielden hun vaders hen thuis. Het was in de tijd van de Shah, toen de onderwijzeressen zonder hoofddoek en met korte rok naar school gingen. Zij zouden de verkeerde rolmodellen zijn voor de meisjes, en hun vaders hadden liever domme dochters dan onzedelijke. Ik weet dat mijn vader huis aan huis langs ging bij die mensen om hen te overtuigen van het belang van onderwijs voor hun dochters. Sommigen vertrouwden hem omdat hij een goede moslim was, en sommigen bleven bij hun mening dat het onderwijs, gegeven door een onzedelijke leerkracht, verderfelijk was. Mijn vader vond het verschrikkelijk voor die meisjes en moest machteloos toekijken hoe ze vervolgens uitgehuwelijkt werden en moesten buigen voor een andere man, die de rol van hun vader overgenomen had in het koeioneren van hen. En dat bleef niet bij dat ene dorp, waar mijn vader het hoofd van was. Dat gold voor veel meer dorpen en steden in Iran. En dat zorgde later voor het tot stand komen van een islamitische macht.

We hadden toen scheiding van Religie en Politiek, zoals het in Iran genoemd werd. Het waren niet de geschreven regels, maar de ongeschreven regels die de meisjes hun primaire rechten ontnamen.

Die meisjes baarden later dochters en die dochters groeiden in een ander systeem op. In een systeem waar Religie en Politiek een eenheid vormden. Ze gingen allemaal naar school, ze kregen goed onderwijs. Ze mochten van hun vaders zelfs in de stad naar de universiteit gaan. Ver van het wakend oog van hun vaders voelden ze de druk van de hoofddoek, die hen inmiddels met man en macht op het hoofd gezet was, verstikkend. De hoofddoek die de gevangenschap van hun moeder en de bevrijding van henzelf bewerkstelligd had. De paradox van een moslimvrouw. Zij gingen in protest tegen die onderdrukkende en bevrijdende doek. Ze gingen de straat op. Het wakend oog en de bewapende hand, die het recht van de sterkste en de fundamenten van de religie moesten waarborgen, werden op hun hart gericht. Ze vielen op de grond en ze bloedden dood. Het is maar twee jaar geleden dat het gebeurd is.

Die vrouwen wilden niet dat hun bloed de inkt wordt waarmee de nieuwe regels geschreven worden, over hun hoofddoek. Zij waren het verbod en het gebod zat. Zij waardeerden een in hart en nieren liberale vrouw als u, mevrouw Hennis. Zij hoopten dat u en de uwen via uw zetels Nederland, Europa, de wereld zouden zeggen dat de waardigheid van een vrouw niet in het afdoen van de doek ligt waarvoor zij zelf kiest of die met geweld op haar hoofd gezet wordt. Ze deden een beroep op uw liberale principes.

Ook van mij mogen alle hoofddoeken in de fik gestoken worden. Ik heb ze van mijn 12e tot mijn 26e gedragen en daar meer ellende aan beleefd dan vreugde. Maar ik mag die doeken niet verbranden. Ik mag een vrouw niet thuis laten zitten. Zonder hoofddoek mag ze immers niet naar school of naar het werk gaan. Ik mag geen enkel mens het recht op ontwikkeling ontnemen en een vrouw al helemaal niet. Omdat de vrouw dat recht zelf verdiend heeft en niet cadeau gekregen. Dat moet u als liberaal veel beter weten dan ik, mevrouw Hennis. En ik mag voor een vrouw niet bepalen wat zij wel of niet mag dragen. Anders kan ik me niet onderscheiden van de religie die de doek gebiedt, wanneer ik dezelfde doek verbied. Dat is waarmee ik me boven die religie verheven voel. En ik moet als vrij mens verheven blijven boven elke religie.

Wijkt dit standpunt toch van uw liberale principes af, mevrouw Hennis? Dan doe ik een beroep op uw geweten als vrouw. Gun die vrouwen hun doek. Bescherm ze tegen de verdere onderdrukking door ze van achter het aanrecht naar de universiteitbanken en de overheidsbanen te verplaatsen, al dan niet met die doek om. De rest komt vanzelf of, van mijn part, niet!
(Een door de redactie ingekorte en wat aangepaste versie van deze column heeft in de Volkskrant van 30 maart 2011 gestaan).

Posted in: Politiek