Ode aan een dierbare

Posted on 5 februari 2011

14


‘Ze zeggen dat ze hun eigen kinderen vanaf hun 18e op straat zetten, hoe kan ik aannemen dat ze jou willen opvangen?’, zei mijn vader toen hij hoorde dat de ouders van mijn Nederlandse vriendin, die voor een onderzoek naar Iran gekomen was, mij in Nederland wilden opvangen.
‘Ze zeggen veel baba, maar ik weet dat ik eerder kan vertrouwen op het woord van mijn vriendin dan op wat ZIJ zeggen’, antwoordde ik mijn vader. 

Op 5 februari 1993 bracht een vlucht van KLM mij naar Nederland. Mijn vriendin was niet naar Schiphol gekomen om mij op te halen, maar ik raakte niet in paniek. Na een poosje wachten liep ik naar de infobalie en nadat ik in mijn gebrekkige Engels de situatie uitgelegd had vroeg ik of ik een telefoontje mocht plegen. De medewerkster vroeg naar het telefoonnummer waarnaar gebeld moest worden, toetste zelf het nummer in en na een halve minuut zei ze dat er niemand opnam. Het was vroeg in de ochtend en mijn vriendin lag te slapen. Ik vroeg of ze naar een ander nummer wilde bellen, naar het huis van haar ouders. Ze toetste hun nummer in en heel snel begon ze in een voor mij zeer vreemde taal een gesprek te voeren met iemand aan de andere kant van de lijn. Toen gaf ze de telefoon aan mij en ik hoorde een mannenstem, een warme stem: ‘Ferdows, don’t worry. Antje will be at Schiphol in a few hours.’ Vervolgens was hij naar het huis van zijn dochter gereden en had haar uit haar warme bed gehaald. Het bleek dat Antje zich een dag vergist had in mijn vertrekdatum.

Zodoende kreeg het gezin nog een dochter erbij. Kennelijk waren de andere vier kinderen op hun 18e op straat gezet om- veel later- ruimte te maken voor een 26-jarige dochter, die de autoriteiten in haar moederland ontvluchtte.
Afkomstig uit een hecht gezin kwam ik weer in een hecht gezin terecht. De eerste dag kreeg ik een rondleiding door het huis. Vader De Boer was toen nog niet gepensioneerd en had als huisarts een praktijk aan huis. Ook zijn praktijk liet hij me zien met de wijnkelder eronder, wat me het meest fascineerde. Ik werd gevraagd me thuis te voelen. En dat gebeurde niet heel lang daarna.

Na een poosje schreef ik een brief aan mijn vader in Iran. Daarin beschreef ik mijn persoonlijke situatie en het gezin waarin ik als dochter opgenomen was. Ik stelde hem gerust over de fabels die ZIJ rondbazuinden. Ik vertelde hem over de hechte band tussen de gezinsleden en de bijbehorende families. Over onze wekelijkse gezamenlijke maaltijden met het hele gezin bij de ouders in Schagen. Over de inspanningen van het gezin om mij Nederlands te leren. Over Lonneke, de schoondochter, die haar hele woning volgeplakt had met papiertjes met daarop de namen van de voorwerpen in het Nederlands. Over Hanne, ook een schoondochter, die maar geduldig tegen mij Nederlands bleef praten en het niet opgaf als ik met elke zin opnieuw vroeg wat ze zei. Over Antje die mij de weg in Nederland wees en bij alles en overal aanwezig was, van de gesprekken met de advocaat tot de rechtszittingen die mij het recht op een verblijfsvergunning moesten toekennen. Geen boek kan recht doen aan al hun inspanningen in die jaren. Ik bracht mijn familie in Iran op de hoogte van alle details. Ik wilde in eerste instantie hun zorgen over mijn persoonlijke situatie weghalen en in tweede instantie de propaganda van het Iraanse regime over de verderfelijkheid van de westerse cultuur ongedaan maken.

Twee jaar later kwamen mijn ouders op bezoek bij mij in Nederland. Ze logeerden ook een paar dagen bij mijn Nederlandse ouders in Schagen. Vader en moeder De Boer wisten dat mijn vader overtuigd moslim was en dat honden in de islam onrein beschouwd worden. Moeder belde me op om te zeggen dat Belle, hun hond, uit logeren ging in de periode dat mijn ouders bij hen zouden verblijven. Ik was sprakeloos van die gastvrijheid. Toen mijn vader het hoorde kreeg hij tranen in zijn ogen: ‘Zij zijn de echte gelovigen in God, niet wij. Van God moet je respect hebben voor je medemens. Maar onze geestelijken veroordelen anderen heel gauw op hun geloof. Uit respect voor mijn geloof sturen mensen, die niets te maken hebben met dat geloof, hun hond uitlogeren. Wie zou dit in Iran geloven?’, zei hij.
‘Ze hebben niets te maken met uw geloof baba, maar wel met u als mens. U bent in eerste plaats de vader van hun aangenomen dochter en in tweede plaats een respectvol mens die zijn geloof belijdt zonder een ander schade toe te brengen. Dit is de filosofie waarmee ze in dit land leven en met elkaar omgaan. Dat is waar ze trots op zijn. En dat is de reden waarom ik van dit land houd.’

Mijn ouders gingen met een gerust hart terug, overtuigd dat hun geliefde dochter in goede handen was. Sindsdien uit mijn vader nooit meer zijn zorgen over het feit dat zijn dochter van haar geloof afgevallen is.

Het is precies 18 jaar geleden dat ik op Schiphol aankwam en de warme stem en geruststellende woorden van vader De Boer aan de telefoon hoorde. Die stem hoor ik de laatste tijd zelden meer. Ik ga regelmatig bij hen op bezoek en zie hem in zijn stoel zitten, weinig woorden. Met de dag neemt hij een stukje verder afstand van zijn bewust waarneembare omgeving. De hersenen die hij altijd als arts goed gekend en intensief gebruikt heeft, laten hem geleidelijk doch ernstig in de steek. Hij kijkt me aan, de tedere herkenning verschijnt in zijn blik en hij glimlacht. Een droevige glimlach. Ik wil iets tegen hem zeggen. Ik wil hem prijzen voor de vrije mens die hij is. Voor de menselijke manier waarop hij altijd geleefd heeft. Voor het vrije leven dat hij mij geschonken heeft. Voor het beeldige voorbeeld dat hij een moslimfamilie, met veel vooroordelen, gegeven heeft. Ik wil tegen hem zeggen: ‘vader, bedankt dat je me de kans gaf om jouw land door jouw ogen te zien en er mijn land van te maken. Een land waar je niet beoordeeld wordt op wie je bent, maar op wat je doet.’
Maar dat kan ik niet. Ik kijk hem alleen aan en glimlach terug, terwijl ik mijn tranen tegen probeer te houden. Ik ben nooit verbaal sterk geweest, de pen is mijn redding!

Posted in: Geen categorie