Gevangen in de boerka, bevrijd door de boerka!

Posted on 6 januari 2011

8


Ik was tien jaar oud toen ik voor het eerst een boerkadraagster op straat in mijn geboortedorp tegenkwam. Het was de vrouw van de geestelijke die voor de maand Ramadan uit Qom – een stad ten zuiden van Teheran waar de ayatollahs zich nestelen – naar ons dorp gekomen was. Het was voor de revolutie.
Ik zag die dag de geestelijke lopen met achter hem een vrouw gewikkeld in een zwarte chador en haar gezicht bedekt met een Neqab (boerka). Fascinerend om te zien voor een dorpskind dat nog nooit zo’n verschijning gezien had en de Neqab slechts van horen zeggen kende. Ik schrok niet, integendeel, ik werd nieuwsgierig naar de vrouw achter die Neqab. Ik bleef stil staan en keek naar haar elegante stappen achter haar man aan. De juiste afstand die zij wist te houden, in de maat met de stappen van haar man. Ik zou gestruikeld zijn over zijn benen, maar zij liep kunstig en rustig door. Ik besloot die kunstenares te leren kennen. Ik wist dat ze thuis Koranles gaf aan de dorpsmeisjes. Bingo!
Thuis aangekomen vroeg ik aan mijn moeder of ik op Koranles mocht bij mevrouw X.
‘Nee’, zei mijn moeder en ze voegde eraan toe: ‘Eén kornageleerde in de familie is voldoende voor zeven generaties’, ze doelde op mijn vader. Duidelijke taal, geen discussie mogelijk. Dat was ik gewend van mijn moeder, daarom ging ik over naar plan B.
De volgende dag belde ik aan bij het huis van de geestelijke. Hij deed open en ik zei dat ik me kwam inschrijven voor de koranles bij zijn vrouw. Hij liet me binnen en riep zijn vrouw erbij. Er verscheen een prachtige, mooi geklede jonge vrouw, lichtjes opgemaakt en met een lieve glimlach op haar gezicht. Ik wist niet wat ik zag. Zou ze echt zijn?, dacht ik bij mezelf.
Heel zachtjes zei ik: ‘Ik wil graag koranles nemen bij u’.
‘Ik vrees dat het niet gaat lukken, lieverd. De lessen zijn al twee weken aan de gang en je kunt onmogelijk die achterstand inhalen. Misschien volgende keer als we weer hier zijn?’
‘Nee, ik wil het heel graag nu. Ik beloof dat ik die achterstand in ga halen. Ik zal hulp vragen bij mijn vader en mijn oma.’
‘Hoe heet je?’
‘Ferdows.’
‘Wat een mooie naam, weet je dat dat paradijs betekent?’
‘Ja, dat weet ik. Een vriend van mijn vader heeft me die naam gegeven.’
‘En je achternaam?’
‘Kazemi.’
‘Ben je de dochter van meneer Kazemi?’, vroeg ze opgewekt.
Wie kende ‘meneer Kazemi’, het hoofd van de dorpsraad, niet.
‘Ja, ik ben zijn dochter.’
‘Wist je dat we vanavond bij jullie komen eten?’
‘Ja, ze zijn thuis eten aan het voorbereiden.’
‘Ok, je mag vanaf morgen komen, maar ik denk niet dat ik je kan helpen bij het inhalen van je achterstand. Ik heb drie groepen achter elkaar en weinig tijd’, zei ze met haar lieve glimlach.
‘Nee, dat hoeft niet. Dat zal ik zelf doen. Ik ben u erg dankbaar. Eu…zou u vanavond mijn toestemming van mijn moeder willen vragen?’
‘Heb je dat zelf niet gedaan?’
‘Ja, maar zij is een beetje overbezorgd en wil niet dat we te vaak weg zijn van huis. Misschien kunt u haar geruststellen?’
Zodoende zat ik de volgende dag in haar klas om in het Arabisch de Koran te leren lezen. En niemand wist dat niet de fascinatie voor de Koran maar de fascinatie voor de vrouw achter de boerka mij daar gebracht had.
De les startte. Ze begon in een soera zeer melodieus te lezen, eigenlijk te zingen. Tranen liepen over haar mooi gezicht. Hoe verder ze zong hoe meer tranen. Hoe verder ze zong hoe meer betovering in die stem. Wat een stem, wat een ritme, wat een kracht en wat een droefenis die de vrouw door haar stem op me overbracht. Ik voelde een verborgen pijn in die stem. Een pijn die ze door die melodieuze stem van zich af wilde zingen. Ik keek niet naar de Arabische letters voor me, ik luisterde niet naar de Arabische woorden die ze zong. Ik hoorde slechts haar gezang en ik zag haar tranen. Ik huilde mee!
Ze was klaar, keek omhoog, onze betraande blikken kruisten elkaar.  
‘Nu jouw beurt, Ferdows. Jij mag nu voorlezen wat ik net voorgelezen heb’, zei ze met een mooie glimlach.
De betovering verbrak. Mijn tranen droogden. Ik zag alleen een Arabische tekst voor me waarvan ik de betekenis niet wist. Ik kende die taal niet, maar letters wel. Ik kon lezen, maar wist niet wat ik las. Ik begon te lezen, zonder geen enkele fout, technisch correct. Toen ik klaar was, zei ze dat ze er alle vertrouwen in had dat ik de voorgaande lessen heel snel zou inhalen. En ik wist niet wat in te halen viel. Een Arabische tekst voorlezen zonder te weten wat je leest, was geen kunst. Onze groep was de laatste groep van die middag. Ik wachtte tot iedereen wegging en ik met haar alleen bleef.
‘Vindt u het niet erg, die Neqab?’, vroeg ik haar, verlegen.
‘Nee lieverd, ik ben blij dat die er is, anders kon ik nooit de deur uit’, zei ze terwijl ze me met haar hand op mijn schouder naar de deur begeleidde. En ik begreep niet wat ze bedoelde. Heel lang niet. Die onwetendheid resulteerde in een revolutie. Toen ik het meende begrepen te hebben was het te laat. En toen ik hardop riep wat ik dacht dat ik had begrepen, belandde ik in de gevangenis. En toen…? Toen niks.
Ik probeer opnieuw- in mijn nieuwe taal, mijn nieuwe thuisland, mijn nieuwe belevingwereld en mijn nieuwe strijd- te begrijpen wat die vrouw toen bedoelde. En ik ben Welten, de korpschef van Amsterdam, dankbaar dat hij me die prachtige herinnering liet ophalen. Mijn herinneringen aan mijn moederland en in mijn moedertaal dreigen in mijn nieuwe thuisland en met mijn nieuwe taal te vervagen. De prijs die een immigrant voor de integratie betaalt!

Zou Welten begrepen hebben wat die vrouw toen bedoelde? Ik denk dat hij meent dat hij begrijpt wat ik nog probeer te begrijpen. Nee, ik denk dat ook hij dit probeert te begrijpen. Daarom zal hij weigeren om een boerkadraagster te arresteren, mocht het zover komen.