Water en vuur

Posted on 14 november 2010

0


‘Het is triest wanneer koel, helder bronwater voor je opwelt, zingt en jankt, terwijl jij dorst naar vuur en niet naar water. En wanneer die bron opdroogt en door het vuur, waar jij zo naar dorstte, verdampt en opstijgt, en het vuur de woestijn geworden aarde verschroeit en uit de grond vuur stroomt, en uit de lucht vuur regent, terwijl jij dorst naar water en niet naar vuur. En dan een leven lang verzengd worden door het gemis van degene die – toen die er nog was – verzengd werd door het gemis van jou.’   

Dit stukje poëzie kreeg ik onlangs van een oud- collega uit Iran. Ze schrijft het toe aan mijn jeugdidool dr. Ali Shariati.
Ali Shariati (1933-1977) was een islamitische denker, afgestudeerd in Frankrijk in de sociologie en de geschiedenis van de religies. Hij heeft een groot aandeel gehad in het tot stand brengen van de opstand van jongeren tegen de Shah van Perzië. Ook ik was beïnvloed door zijn denkbeelden over de islam. Denkbeelden die in die jaren zeer progressief waren. Ik was 12 jaar oud toen ik met zijn boeken kennis maakte. Vlak voor de islamitische revolutie was het. Hoewel ik later mijlen ver afstand nam van zijn gedachtegoed over de religie, een gedachtegoed dat minstens 33 jaar geleden ontstaan is, heb ik altijd diep respect en bewondering voor hem gehouden.  

Als ode aan hem, en in zijn stijl schrijf ik mijn column hieronder:

Niet het vuur maar het water was waar ik naar dorstte. Niet het water maar het vuur was wat me die lange reis liet maken. Niet het vuur maar het water was wat me rust gaf, waar ik in mijn onderbewustzijn altijd naar op zoek was.
Ik ken de gevolgen van het vuur. Ik ben vertrouwd met de onvruchtbare grond van de woestijn. Ik kóm uit de woestijn. Ik kén de zandstormen die je ogen doen sluiten, je adem doen verstikken, je keel doen opzwellen. Ik ken zelfs de eenzaamheid van de woestijn. De eenzaamheid die ontstaan is door het vuur; het vuur dat het groen bloeiende veld bij de bron genadeloos getransformeerd heeft in de woestijn. Het is een misverstand dat je de woestijn, woestijn moet laten. Ook een woestijn kunnen we tot bloei laten komen. Een woestijn heeft regen nodig. Jaar na jaar, decennium na decennium, eeuw na eeuw. De bloei van de woestijn ligt niet in het verlaten van de woestijn. De bloei van de woestijn ligt evenmin in het afzonderen van de woestijn. Ik ben de woestijn ontvlucht, niet om die tot bloei te laten komen, maar om zelf het water te bereiken. Ik heb de woestijn achter me gelaten en ben vertrouwd geraakt met het water. De woestijn is nu voor mij niet meer dan een droom. Een terugkerende, lange droom. Nacht na nacht. Elke keer als ik opnieuw gewekt ben uit een van die dromen wrijf ik in mijn ogen en haal diep adem. Het is dan water dat ik voor me zie, geen woestijn. Ik heb me overgegeven aan het stromende, heldere water dat niet borrelt en niet zingt en niet jankt. Het stille water dat doorstroomt en doorstroomt en doorstroomt. Ergens in de diepste lagen van mijn existentie, verborgen voor onbetrouwbare ogen, zit de door het vuur geworden woestijn, verlangend naar de bron van zijn ontstaan… het vuur! Het vuur dat het op moet nemen tegen het heldere, stromende water. Twee levenselementen in het eeuwige strijdveld. Twee onverenigbare elementen, beide noodzakelijk voor het bestaan. Een heb ik in me en het ander bij me.

Ik ben immigrant!
Meneer, u die me in het land van wateren niet welkom heet. Wees gewaarschuwd. Ik heb een te lange reis gemaakt en te veel obstakels uit de weg geruimd om dit land en deze taal te bereiken. Mij zult u niet zover krijgen om dat op te geven. En het vuur, al heb ik het diep weten te verbergen voor uw ogen, is een onderdeel van mijn existentie. Die vlam zult u nooit gedoofd krijgen. Daarnaast ken ik het principe van ‘Duizend en één nacht’ veel beter dan u. Ik kom namelijk uit het land waarin ‘Duizend en één nacht’ haar wortels heeft.
Laat ons dan verstandig zijn. Laat ons de ogenschijnlijke onverenigbaarheid verenigen. Ik laat u mijn woestijn kennen. Ik leer u hoe het bronwater plaats kan maken voor de woestijn. Wat u van horen zeggen weet, heb ik aan den lijve ondervonden. Maar mijn oordeel is veel milder en genuanceerder dan het oordeel dat u van horen zeggen verworven hebt. U mag ook mij uw verhalen vertellen. Maar niet dat ene bekende verhaal; het verhaal van vervreemding. Ik houd van geschiedenis, heel clichématig trek ik daar mijn lering uit. Vertelt u mij de verhalen die u van uw ouders en grootouders gehoord hebt. Vertelt u mij over de geschiedenis van uw land, dat nu ook mijn land is. Over Erasmus, hoe hij zijn toevluchtoord in ons land vond. Over de duizenden protestanten die, beschuldigd van ketterij, naar ons land vluchtten om hun leven te redden. U mag mij ook over de laatste oorlog in ons land vertellen. Over honderdduizenden joden die uit dit land op transport gezet werden en vervolgens elders vergast. Over hun geloof, over degene die hun geloof ondermijnde en het als gevaar voor de mensheid beschouwde, over de ellende die ze hebben moeten doorstaan, over ongelofelijk veel verwantschap tussen hun geloof en het geloof dat u verafschuwt en ik afgezworen heb als ex-moslim. Ik zal graag naar u luisteren. Luistert u ook naar mij?

Het vuur en het water, twee elementen uit het leven; het leven van mij en dat van u.
Laat ons morgen niet verzengd worden door het gemis van wat we vandaag hebben en niet waarderen!